1. Welkom aan de nieuwe
leerlingen
|
Weetjes en
tips voor nieuwe studenten
Zoals ik reeds
opmerkte is het klavecimbel een instrument voor
fijnproevers. Naast jongeren (die vaak met
klavecimbel starten) volgen ook heel wat
volwassenen deze cursus (vanaf het prille begin of
als tweede instrument naast of na een andere
muziekopleiding).
Omdat het
instrument niet zou gekend is toch nog even
toelichten wat een klavecimbel nu precies inhoudt.
Wel, het klavecimbel is het meest geperfectioneerde
tokkel-chordofoon (getokkeld snaarinstrument) met
een klavier. Door op een toets te drukken gaat een
dok omhoog met een pennetje dat zo de snaar
tokkelt. Laat men de toets los, dan zakt het dokje
en kan het pennetje vrij passeren langs de snaar.
Een vilten doekje bovenaan het dokje dempt de snaar
af.
Vergelijk met
andere tokkelinstrumenten zoals gitaar, luit en
harp. Snaren worden getokkeld met de vingers of
nagels (dok met pennetje) en worden afdempt met de
vingers of handpalm (vilten doekje). Op die manier
kan men zich wel voorstellen dat de wijze waarop
men de toetsen van een klavecimbel beroert (trage
of snelle vingerbeweging, platte of ronde houding
van de vingers) weldegelijk invloed heeft op de
klankdiversiteit.
In de eerste les
worden enkele afspraken gemaakt met de leraar. De
hamvraag is meestal: hoe koop ik een
instrument? Een klavecimbel is meestal niet
goedkoop. Daarbij onmiddellijk wat
bedenkingen:
Er
bestaan kleinere en goedkopere klavecimbeltypes
zoals het spinet en virginaal, weliswaar met
minder mogelijkheden (registers).
Mits een goede
verzorging behoudt het net als een
strijkinstrument zijn waarde.
Wanneer een
leerling om één of andere reden
stopt kan men zijn instrument zonder veel
verlies verkopen.
Tweedehandsinstrumenten
zijn er natuurlijk ook, maar laat je altijd
bijstaan door je leraar bij een aankoop van een
groot of klein, nieuw of tweedehands
instrument.
In afwachting
van een instrument in de aanvangsfase kan men
zich behelpen met een ander klavier, maar dit
aanraden doe ik natuurlijk niet.
Het Brugs
conservatorium beschikt momenteel over een groot
dubbelmanualig (twee klavieren) klavecimbel gebouwd
door Tournay.
Het heeft heel
wat mogelijkheden (registers):
Onderklavier
1ste 8-voet (term uit de orgelwereld dwz op ware
toonhoogte)
Bovenklavier
2de 8-voet (klinkt veel nasaler, vgl met klank
viool of gitaar wanneer men dichter bij de kam
gaat spelen).
Onderklavier
gekoppeld met het bovenklavier (spookregister:
toetsen van het bovenklavier worden automatisch
ingedrukt terwijl men op het onderklavier
speelt) = 2 x 8-voet.
Luit
(verwijzing is duidelijk) inschakelen op het
onderklavier.
4-voet (klinkt
een oktaaf hoger, derde rij snaren) op
onderklavier.
Combinaties
van beide handen op onder- en bovenklavier,
klavierwisselingen.
Nb elk register
vraagt om een andere touché en dus andere
speelwijze en techniek.
Binnen afzienbare
tijd zullen de klavecimbelstudenten (en niet te
vergeten ikzelf ook) kunnen beschikken over een
tweede kleiner instrument dat heel contrasterend is
met het grote instrument, om het typische vroege
klavecimbelrepertoire op een stilistisch
verantwoorde wijze te kunnen spelen.
We onderscheiden
nl drie hoofdvertegenwoordigers qua bouw en
klank:
Franse
klavecimbels: over het algemeen
tweemanualig, het meest ronde van klank.
Italiaanse
klavecimbel: éénmanualig en
omdat de snaren op breekspanning zijn is de
klank het meest spitant en scherp.
Vlaamse
klavecimbels zijn enkel- of dubbelmanualig
en situeren zich zowat tussen Franse- en
Italiaanse klavecimbels en zijn het meest
all-round.
Door een
combinatie van een groot dubbelmanualig Frans
instrument en een Italiaans klavecimbel in de les
leert men dus de belangrijkste speelaarden kennen
en kunnen we zowat het hele klavecimbelrepertoire
op een authentieke manier benaderen.
Belangrijke
algemene opmerking bij het aanleren van een
instrument: oefening baart kunst!
Dagelijkse studie
is noodzakelijk. Overleg tussen leraar en ouders
over het oefenen (musici spreken over studeren),
over de vorderingen kan altijd voor of na de les
(ook telefonisch).
Vooral bij de
jongsten is wat aanzet tot het oefenen door de
ouders heel normaal en zelfs wenselijk.
Het verloop
van de cursus.
De totale cursus
beslaat 9 jaar en bestaat uit 3 verschillende
graden.
Op het einde van
de lagere graad wordt nagegaan welke richting het
meest geschikt is voor de middelbare en hogere
graad: richting samenspel (niet te verwarren met
het vak samenspel) of richting instrument.
In de
richting samenspel wordt de technische en
muzikale opleiding voortgezet, aangepast aan de
behoeften en de mogelijkheden van de
leerling.
De leerstof is
in eerste instantie die van de middelbare graad,
studierichting instrument, te verdelen over de
zes jaren van de middelbare en hogere graad.
In de
richting instrument beschouwen de
studenten klavecimbel spelen als hun
belangrijkste naschoolse activiteit. Men wil de
klavecimbelliteratuur en zijn verschillende
stijlen zo goed mogelijk gaan verkennen en
deelnemen aan het amateurmuziekleven, misschien
een eigen ensemble oprichten enz...
Voor enkelen
opent het de weg naar een professionele loopbaan
in de muziek.
In beide
richtingen krijgen de studenten heel wat bagage
mee om hun liefhebberij of passie later
zelfstandig te kunnen beoefenen, ieder op zijn
niveau.
|
2. Het
leerplan
LAGERE GRAAD
Ik heb mij, naast een
heleboel persoonlijke accenten, gebaseerd op het
minimumleerplan.
Vermits de uitgave van het
gespeelde repertoire heel belangrijk is heb ik af en toe wat
muziekuitgeverijen bij naam genoemd. In sommige (moderne)
edities worden vaak kwistig, te pas en te onpas allerlei
bindingsbogen, dynamische tekens en voorgekauwde
articulaties toegevoegd. Dit is nefast voor de
sensibilisering en ontwikkeling van de (eigen) muzikaliteit,
net de twee hoofdelementen die het minimumleerplan
vooropstelt. De notatie van barokmuziek is meer dan bij
andere "muzieken" slechts een approximatieve weergave van
een kunstwerk, waarbij beroep wordt gedaan op de
creativiteit en de retorische capaciteiten in combinatie met
stijlkennis en goede smaak (feeling voor het instrument en
zijn muziek).
Wat ikzelf nog meer wil
uitbouwen in mijn lessen voor de toekomst is een
literatuurlijst met voor het Deeltijds Kunstonderwijs
speelbare hedendaagse muziek voor klavecimbel en het
verkennen van de klassieke periode (repertoire wat speelbaar
en geschikt is voor klavecimbel). Ook het geven van een les
begeleidingpraktijk voor klavecinisten, vanaf de middelbare
graad, waar voornamelijk het basso continuo-spel zou kunnen
aangeleerd worden, lijkt mij onontbeerlijk.
Lagere graad
2-4
Kennis van het
instrument en zijn onderdelen: bouw, werking,
behandeling, onderhoud.
Algemene
lichaamshouding, ademhaling, functionele spierwerking,
soepelheid, ontspanning.
Regelmaat en belang van
dagelijkse studie, het leren leren.
Inoefening, verbetering
en vooral voor L4 ook afwerking.
Als eerste leerboek is
THE AMSTERDAM HARPSICHORD TUTOR I voorlopig het beste
boek (vierde druk 1993, eerste druk reeds van 1977):
Zelfs de meest
eenvoudige stukjes zijn origineel voor klavecimbel of
orgel bedoeld (bij de vroege muziek is de literatuur voor
klavecimbel en orgel vaak uitwisselbaar), vaak relevante
uitleg en suggesties bij de stukjes (wel in het Engels),
aandacht voor originele vingerzettingen,
éénvoudige transposities, verschillende
stijlen, éénvoudige versieringen,
enz...
Persoonlijke accenten
zijn éénvoudige transposities (andere dan
in het boek zijn voorgesteld), uitproberen en zoeken van
verschillende vingerzettingen in correlatie met de
articulatie, diverse articulaties (gekoppeld aan de
onafhankelijkheid van de handen), vervolledigen van
akkoorden in tweestemmige werkjes, akkoorden na elkaar
aantokkelen (arpeggio), sommige leerlingen komen er ook
toe om eens een baslijn te spelen bij een gegeven
melodie, aandacht en sensibilisering voor versieringen en
diminutie,...
Als negatief kan men de
soberheid van dit boek ervaren, dus geen tekeningen en
illustraties wat natuurlijk in groot contrast staat met
bv de Europese pianoschool.
In het eerste jaar
combineer ik meestal dit leerboek (dat in het begin vrij
moeilijk is) met een klaviermethode omwille van de
systematische opbouw zoals bij
W. Langer, soms ook
Folk Dean e.a.
Uit de Europese
pianoschool ontleen ik de nrs 9, 10, 11 (lagere graad),
12, (18), (23), 46, 47 en 70 voor het aanleren van de
toonladders.
Nrs 48 en 81 ontleen ik
als bourdonbegeleiding.
Last but not least
betreft J. S. Bach.
Vanaf L3 en zeker vanaf
L4 neemt Bach een vaste plaats in in het
klavecimbelonderricht.
Iedereen kent
natuurlijk wel het Clavierbüchlein der (en niet
für) Anna Magdalena Bach (1725), prachtig uitgegeven
bij Wiener Urtext Edition
(UT 50 150).
Deze uitgave volgt de
oorspronkelijke nummering en bevat ook een Suite van Chr.
Petzold en werken van C. Ph. E. Bach (ideaal materiaal
voor de middelbare graad, dus een boek dat meerdere jaren
kan gebruikt worden).
Een andere must vormen
de Kleine Präludien Fughetten (G. HENLE
VERLAG).
De Kleine Fugen und
Präludien mit Fughetten zijn zelfs voorbehouden voor
de hogere graad.
Het spelend leren
analyseren (vorm, cadensen,...), versieren en fantaseren
van en op werken uit de literatuur (eigen composities
mogen natuurlijk ook).
Aandacht en
sensibilisering voor verschillende klavecimbeltypes en
hun specifieke literatuur.
Indien mogelijk (tijd)
stemmen van octaven, e.v. kwinten, enz...
MIDDELBARE
GRAAD
Middelbare graad
1-3
Bouwt verder op de
verworvenheden van de lagere graad in een evenwichtige
verhouding tussen de technische en muzikale
aspecten.
Verwerven van
doeltreffende studietechnieken.
Kennismaking met
verschillende genres en stijlen.
THE AMSTERDAM
HARPSICHORD TUTOR II
De verzamelboeken van
Howard Ferguson (EARLY FRENCH KEYBOARD MUSIC 1 & 2,
EARLY ITALIAN KEYBOARD MUSIC 1 & 2, EARLY GERMAN
KEYBOARD MUSIC 1 & 2) uitgegeven bij OXFORD
UNIVERSYTY PRESS, zijn heel geschikt en didactisch
opgevat met uitleg, suggesties (wel opnieuw in het
Engels), bronvermelding en verwijzing naar moderne en
complete edities, gerangschikt naar moeilijkheidsgraad.
Tweestemmige inventies
van Bach, eventueel ook wat losse delen uit de Franse
suites.
Op gebied van studies
zijn de Klavier-études uit de 19e eeuw geschikt
gemaakt door Kees Rosenhart, deel 1 en 2 uitgegeven door
de Stichting Clavecimbel Genootschap Nederland aan te
raden naast andere specifieke oefeningen.
Stemmen van tertsen (en
dus ook sexten)
Diminutie-praktijk op
eenvoudige akkoord-schema's en omgekeerd stukken
herleiden tot zijn harmonische essentie (bv 1ste prelude
van J. S. Bach spelen als een koraal).
Indien er voldoende
tijd en vorderingen zijn aandacht voor het basso
continuo-spel en begeleiding, improvisatie, vervangen van
plectra (pennetjes).
Belangrijk vind ik ook
om de link te leggen naar de les AMC wat betreft
begrippen als monofoon, polyfoon, bourdonbegeleiding,
barok, Franse suite, sarabande, cadensen enz. en toe te
passen op de muzikale praktijk.
HOGERE GRAAD
Hogere graad
1-3
Ontwikkeling van
zelfstandigheid in de benadering, studiemethodiek en
interpretatie.
Bewuste aandacht voor
esthetiek en stijl.
Opbouw van een
persoonlijk repertoire van uiteenlopende
moeilijkheidsgraad.
Aanpassingsvermogen in
touché bij snel wisselen van registers of
klavieren.
Bach: driestemmige
sinfonia's, preludes en fuga's uit Das Wohltemperierte
Klavier, Franse suites, toccata's, Engelse suites,
partita's, enz.
Canzona's, tiento's,
fantasia's, toccata's, suites, pavane en gaillarde,
variatievormen, karakterstukken.
Indien mogelijk het
leggen van een temperatuur.
Basso
continuo-praktijk.
Eventueel snijden van
plectra, vervangen van een snaar,...
3. Het examenprogramma
LAGERE GRAAD:
L2:
- 2 werken
naar keuze
L3:
- 2 werken
naar keuze
L4:
- een
verplicht werk, bij voorkeur van een Oud-Nederlands
componist
- een repertoire van
drie werken naar keuze
Opmerking: een werk
uit het geheugen spelen staat niet specifiek vermeld
in het leerplan maar wordt wel aangeraden om toch te
doen.
MIDDELBARE
GRAAD
optie
instrument:
M1: 3 werken
naar keuze
M2: 3 werken
naar keuze
M3:
- opgelegd
werk, bij voorkeur van een Oud-Nederlands
componist
- een
repertoire van 4 werken naar keuze
- a prima
vista
|
optie
samenspel:
M1: 2 werken naar
keuze
M2: 2 werken naar
keuze
M3: 2 werken naar
keuze
|
HOGERE GRAAD
optie
instrument:
H1: 3
stukken
H2: 3
stukken
H3:
opgelegd werk,
bij voorkeur van een Oud-Nederlands
componist
een repertoire
van 4 volledige werken waaronder:
- twee werken
op het niveau H3
- twee werken
op vrij gekozen technisch niveau
|
optie
samenspel:
H1: 2 werken naar
keuze
H2: 2 werken naar
keuze
H3: 3 werken naar
keuze
(één
werk kan een begeleiding of basso continuo-partij
zijn)
|
|