Orgel

Het pijporgel is een muziekinstrument dat bestaat uit één of meer klavieren en een voetklavier, een windvoorziening en een groot aantal orgelpijpen. De bespeler van een orgel noemt men organist.

Wanneer de organist een toets indrukt, zorgt een mechaniek ervoor dat er vanuit de windvoorziening lucht in één of meer pijpen stroomt. Afhankelijk van de grootte, de vorm en het materiaal van de pijpen kan een grote verscheidenheid aan klanken voortgebracht worden. Vrijwel ieder pijporgel is verschillend van samenstelling en klank. De kleinste orgels hebben één klavier en één rij pijpen: voor iedere toets van het klavier is er een pijp. De grootste orgels hebben vijf of zelfs zes klavieren en een pedaal (een klavier dat met de voeten bespeeld kan worden) en meer dan tienduizend pijpen, verdeeld over pijpenrijen die met honderden registerknoppen bediend kunnen worden. Naast het grote orgel zijn er kleine soorten orgels: het portatief, het regaal en het positief.

Op het orgel kan je bijvoorbeeld schitterende barokmuziek van Bach en Buxtehude spelen, maar ook Franse romantische, symfonische muziek van Widor of Franck. Een magistraal instrument!